Twee broers

Ze zaten dicht bij elkaar, twee mannen, broers, een beetje op leeftijd, in dat bruine café aan het water. Twee pinten bier voor zich.

Ik ben het zat, spuugzat!’ zei de één, de jongste van de twee. De ander schrok. ‘Wat dan? Wat is er dan?’ ‘Nou, het is intussen zes jaar geleden, en je bent zo verschrikkelijk depri, sjaggerijnig en down. Ik kan er niet meer tegen!’ De oudste zweeg, de tranen sprongen hem in de ogen.

genade, contextueel, vreugde

Zes jaar geleden. Ja, toen lagen ze samen in het ziekenhuis. De oudste, heel ziek, zijn hele lichaam opgezet van het vocht, doodmoe, met de dood in zijn ogen. De ander, gezond, levenslustig en vol verwachting.

Een paar weken ervoor had de oudste te horen gekregen dat er niets meer aan te doen was, tenzij hij een donornier zou krijgen. Het duurde niet lang of er was een nier voor hem beschikbaar; van zijn broer. Het was helemaal vanzelfsprekend geweest. Hij deed het gewoon. Ook al had hij uitgebreid gehoord van de gevaren, de consequenties. En zo lagen ze samen in het ziekenhuis.

Een paar dagen na de operatie ging de jongste al weer naar huis, en een week later ook de oudste. Het ging goed met alletwee. De oudste wist niet wat hem overkwam, zijn energie kwam weer terug, zijn trek in eten, hij sliep weer. Maar er was één ding veranderd.

De relatie tussen de broers was niet meer zoals ervoor. De jongste had gehoopt en verwacht dat de band versterkt zou worden. Er gebeurde iets anders. De oudste had het gevoel dat hij in het krijt stond bij zijn broer. Hij was hem alle dank verschuldigd. Schuldgevoel. Dat maakte hem droevig. Diep binnen in hem was de gedachte geboren: ‘Ik heb een stukje leven van mijn broer afgepakt’. Elke keer als hij hem zag, kwam het gevoel van machteloosheid in alle heftigheid over hem heen. Hij kon het nooit meer goed maken.

‘Nou, dit bedoel ik nou,’ zei de jongste. Als het gaat over ‘zes jaar terug’ of zelfs over een vakantie of over ons werk, dan trek jij een gezicht als een oorwurm, zit je daar met een zielige snufferd, zo van ‘sorry, dat ik besta-smoelwerk’. Wat denk je? Dat ik daar mijn nier voor heb gegeven? Dat je elke keer een beetje zielig zit te doen? Nee ik gaf mijn nier, zodat jij weer vrolijk verder kon leven, hoor je dat? Vrólijk verder leven. En niet een beetje kniezen!’

Op dat moment werd er wat geraakt bij de oudste. De woorden die in zijn hart lagen en zijn mond nooit hadden bereikt, kwamen nu als een stortvloed naar buiten. ‘Dat hij al die tijd met zo’n schuldgevoel had gelopen, dat hij een stukje gezondheid van zijn broer had afgepakt, en dat hij als oudste vroeger echt niet zo leuk geweest was. ‘Weet je nog dat ik mijn deur steeds voor jou op slot deed? Herinner je je nog dat ik een hele fles gazeuse over je hoofd gegooid heb. Denk je er nooit meer aan dat ik je regelmatig een stommeling noemde? Ik schaam me.’

De jongste luisterde stil. Zijn ogen werden groot van verbazing. En toen de stroom van klacht en schaamte ophield, pakte hij de hand van zijn broer. En vroeg hem: ‘Weet je eigenlijk wel waarom ik jou één van mijn nieren heb gegeven? Nee? Zal ik dat eens vertellen? Gewoon omdat je mijn broer bent, gewoon omdat ik van je houd. Dat was de enige reden. En ja, je was soms gewoon een eikel, en je hebt me regelmatig gepest en zelfs gekleineerd. Maar dat is dan niet aan de orde. Helemaal niet. Dat speelt dan toch niet. Jóh, je bent mijn broer!’

En ineens viel bij de oudste broer het kwartje. Het doneren van de nier was een daad van liefde, en niet een uitdrukking van ‘Wat ben je toch een leuke, gezellige, vriendelijke broer geweest.’

Tranen drupten naast zijn glas. ‘Ik snap het, o, ik snap het.’ Op dat moment ontving hij zijn nier als geschenk. Ze gingen staan, beide broers, en vielen in elkaars armen.

 

Play Video

‘Dankjewel, dankjewel.’ En de oudste sprak: ’Zullen we deze dag elk jaar vieren? Steeds weer?’

En zo deden ze, in het bruine café, met bier, bitterballen en muziek.

 

Blijf op de hoogte

Vond je deze blog de moeite waard? Deel het met je vrienden

Gelukkigmetjewerk 2019 © All rights reserved